Het ontwerp heeft als uitgangspunt een labyrintische beweging, een éénduidige weg naar het centrum. In het midden is de beproefde persoon alleen met zichzelf; hij ontmoet zichzelf, een goddelijk principe.De naar binnen gerichte beweging is tevens een voortzetting van het introverte karakter van het Hofkwartier.
De gangen binnen het ontwerp zijn zodanig gedraaid dat er een wachtruimte ontstaat, alvorens de bezoeker de uiteindelijke kern bezoekt. De beweging wordt begeleid door de omhulling die langzaam hoger wordt, zodat de bezoeker geleidelijk wordt afgesloten van de buitenwereld; een dwalen, om je hoofd langzaam leeg te maken, om langzamerhand te verstillen, alvorens de kern van het gebouwde te betreden.
Een lege, verstilde ruimte waarin de daglichttoetreding middels zips, als verstilde momenten de leegte binnenvalt; fragmenten van andere ruimte: de ruimte achter de ruimte.
Daar waar de begrenzing van de naar binnen gerichte beweging, de materie, op het hoogste punt is, valt het licht naar binnen. Eerst via het dak en dan zich verspreidend over de gevels, zodat de materie wordt opgenomen in het licht, en daarmee samenvalt. Het ervaren van een mentale ruimte die voorbijgaat aan alle religies, en daarmede alles met elkaar verbindt.
Eenmaal de kern verlatend, gaat men dezelfde weg terug; de ingangsweg wordt tot uitgangsweg gemaakt, een richtingsverandering van 180º; de grootst mogelijke afstand van het verleden. De ommekeer vindt plaats in het centrum, waar nieuwe mentale ruimtes zijn gevonden.